Informatiebijeenkomst UMCG

UMCG 3 april 2018

Wat is het verschil tussen een functionele en structurele scoliose? Welke braces zijn er tegen woordig en hoe meet je ze aan? En wanneer pas je welke behandelmethode toe? Deze en nog vele andere vragen kwamen aan bod tijdens de algemene bijeenkomst in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) op dinsdag 3 april.

Dokter Faber, wervelkolomspecialist in het UMCG, beet het spits af en nam ons mee in de verschillen tussen een functionele en structurele scoliose. De functionele variant kennen we ook wel als houdingsscoliose. Vaak veroorzaakt door een beenlengteverschil of, zoals de naam al doet vermoeden, door houdingsafwijkingen. Een functionele scoliose is vrijwel altijd te corrigeren.

Structurele scoliose is onder te verdelen in idiopatische en niet-idiopatische scoliose. De idiopatische scoliose is de meest bekende variant. Je spreekt van idiopatisch wanneer er geen aanwijsbare oorzaak voor de scoliose te vinden is. Bij niet-idiopatisch kan de scoliose verschillende oorzaken hebben, bijvoorbeeld door neuromusculaire aandoeningen of bindweefselafwijkingen.

Verder vertelde de heer Faber over de aanwezigheid van een EOS-scanner. Dit is een 2D/3D-scanner waar het UMCG mee werkt. Met het apparaat wordt een scan van het lichaam gemaakt. Een groot voordeel van de EOS is dat er weinig straling vrijkomt, maar je toch een goede afbeelding van de rug verkrijgt. Het nadeel van de scanner is dat je wel een kromming kunt meten, maar niet een eventuele draai.

In zijn verhaal haalde dokter Faber de grens voor een operatie aan. Globaal ligt deze rond de 45-50 graden. In principe wordt er, bij meisjes, niet eerder geopereerd dan een jaar na de eerste ongesteldheid. De wervelkolom specialist benadrukte bovendien dat het doel van een operatie tweeledig is. Je wilt de progressie van de kromming stoppen en je wilt deze corrigeren. Er wordt altijd getracht om zo min mogelijk van de rug vast te zetten. Dat is het streven, aldus Faber.

De orthopedisch instrumentmakers van Achilleon Zorg gaven ons een kijkje in hun werkzaamheden. Ze vertelden niet alleen braces te maken, maar eigenlijk alles op orthopedisch gebied. De heren hadden enkele braces meegenomen, waaronder de Bostonbrace en de Triacbrace. Sommige aanwezigen herkenden de braces die zij vroeger hebben gedragen. We kregen onder andere te horen dat de Triacbrace nog maar weinig gebruikt wordt, evenals een nachtbrace. Wie er vroeger eentje heeft gedragen, kan zich vast het complexe proces om een op maat gemaakte brace te krijgen, herinneren. Zo denk ik, de schrijfster van dit artikel, terug aan het aanmeten van mijn braces bij een instrumentmakerij in Drachten. Op zo’n dag moest je een paar keer naar het bedrijf terug. Eerst werd er een gipsafdruk van je lichaam/rug gemaakt en op basis daarvan kwam er een eerste model van de brace. Deze moest, na passen, geheel op maat gemaakt worden. Tussen het passen en meten door maakte ik er met mijn moeder een gezellige shopdag van. Toch leuk om er nu zo veel jaar later nog eens bij stil te staan. Tegenwoordig is het niet meer nodig om een gipsafdruk te maken van de hele rug. Achilleonzorg werkt namelijk met een 3D-scanner. Vaak wordt op basis van het resultaat met de 3D-scanner en een röntgenfoto een brace gemaakt.

Kinderfysiotherapeut Ronald de Jong ging in zijn verhaal voornamelijk in op postoperatie fysiotherapie. Of zoals hij het noemde: de gezonde puber na de operatie. Op de dag van de opname heeft Ronald een gesprek met de patient en leert hij hem of haar alvast op welke manier je het beste kunt bewegen na een operatie. In een filmpje krijgen we te zien dat een meisje na haar operatie voor het eerst weer uit bed mag en op een trap loopt. Naar aanleiding van een vraag vertelde Ronald dat het afhankelijk is van de ‘restbocht’, een eventuele lichtere kromming die blijft bestaan na een operatie, of er nadien fysiotherapie wordt voorgeschreven. In de zaal blijken verschillende vragen te zijn over de diverse soorten therapie. Ronald gaf aan dat ieder geval anders is en dat het lastig is om aan te geven welke therapiesoort het beste werkt.

Door Anneke Poelma